“Ik heb vandaag een presentatie bijgewoond waar een ex-medewerker van je bij was”. “O ja, wie dan?”, reageerde ik. “Hij had niet zulke goede berichten over je te vertellen”, vervolgde mijn mede-student zijn verhaal. “Je bent de slechtste manager die hij ooit gehad heeft, je bent nooit voor rede vatbaar en je hebt hem zijn bonus niet gegeven. Kortom, je bent een eikel eerste klas!”…
Zo werd ik ontvangen tijdens het college Strategisch Management. Mijn mede-student, werkzaam bij hetzelfde bedrijf alleen op een ander filiaal, had het zichtbaar moeilijk om mij het verhaal te vertellen. Waarom zou iemand mij er anders direct mee confronteren? Ik was meer bezig met deze vraag dan met de vraag wie er een lastercampagne tegen mij aan het voeren was. Daarover had ik al een redelijk vermoeden. En mijn vermoedens bleken te kloppen. Het was de persoon die twee maanden daarvoor was vertrokken naar een ander bedrijf. De persoon aan wie ik ongeveer twee jaar leiding had gegeven en die mij niet op zijn afscheidsfeestje erbij wilde hebben. De persoon die sinds zijn beoordeling moeite met mij had en dat aan iedereen vertelde die het wel en niet wilde horen.
Mijn mede-student sloot zijn verhaal af met de geruststellende woorden dat hij niet aan mij twijfelde. Hij had mij, tijdens eerdere colleges, een beetje leren kennen en dacht wel aardig te weten hoe ik in elkaar zat. “Ik heb het maar met een korreltje zout genomen” zei hij nog. “Maar de organisatie waarin we werkzaam zijn, is klein. Vroeg of laat wordt je met het verhaal geconfronteerd.” Het eerste uur van de les was ik er niet helemaal bij. Het verhaal liet me toch niet los. Ik was niet boos, eerder geïrriteerd. Ik probeerde hetgeen er gebeurd was, terug te halen.
“Wel verdomme! Door dat gezeik van die kerel, maken we er nooit een team van!”. Mijn coördinator gaf me gelijk. Die kerel, een adviseur in het team waaraan ik leiding geef, had openlijk een collega afgevallen. Dat terwijl de dame in kwestie de afgelopen maanden de enige was die hij nog serieus nam. Nu was dat dus ook afgelopen. Hij verkocht veel, hij zou zijn eigen moeder nog verkopen, maar hij bracht zichtbaar het team in gevaar. Een team wat zich momenteel aan het ontwikkelen was en wat zich momenteel door het strebertje af liet remmen. “Ik ga nog wel een keer in gesprek”, liet ik mijn coördinator weten.
Tijdens het gesprek liet ik alle akkefietjes die de afgelopen maanden waren voorgevallen de revue passeren. Ik nam hem mee naar het gesprek wat we hadden nadat een collega met in tranen mij was komen vertellen dat ze het werk, door hem, niet meer zag zitten. Ik nam hem mee naar het moment dat ik het hele team bij elkaar had geroepen omdat meerdere collega’s zich over hem hadden beklaagd en dat hij, nadat hij toch nog even moest zeggen dat hij gewoon de beste en dus arrogant was, beterschap beloofde. “En nu dit akkefietje weer”. Afsluitend had ik hem zijn hulp gevraagd om er met zijn allen wat van te maken. Die hulp zegde hij toe, maar zou niet komen.
Een aantal maanden later was ik de jaarlijkse beoordelingsgesprekken aan het voorbereiden. Alle adviseurs hadden dit jaar, net als voorgaande jaren overigens, de mogelijk een extra bonus te verdienen. Omdat ik mijn pappenheimers wel ken, wist ik dat ik met één adviseur moeilijkheden zou krijgen. De andere adviseurs wisten wel dat ze de bonus niet hadden verdiend, en hadden hier ook vrede mee. Slechts eentje zou alles in het werk stellen om de bonus alsnog te krijgen. Waar ik al bang voor was, gebeurde ook. De adviseur in kwestie, degene waarmee ik door zijn houding en gedrag binnen het team regelmatig een gesprek mee had gevoerd, moest en zou zijn bonus krijgen. Ook al had hij hier geen recht op, want dat wist hij ook. Hij wist ook dat hij geen recht had om op alle onderdelen goed te worden beoordeeld. Maar ook dat wilde hij. Het werd een prestigestrijd voor hem. En dit keer verloor hij. In tegenstelling tot de afgelopen jaren waarin hij, bij mijn voorganger, alles voor elkaar kreeg.
Dit was voor hem een niet te verkroppen verlies. Dus trok hij een maand of wat later zijn conclusie. Hij zou de organisatie verlaten. Bij zijn exit-gesprek met de directie gaf hij mijn houding als reden. Gelukkig was mijn leidinggevende van de situatie op de hoogte. Ik bracht iedere twee weken verslag uit. Ook nadat ik de adviseur, enkele weken na de beoordeling, uit het team had gezet, bleef het een gespreksonderwerp tussen mij en mijn leidinggevende. De conclusie van de adviseur kwam dan ook bij niemand als een volslagen verrassing.
De maanden die na het vertrek van de adviseur volgde hoorde ik, via via, nog weleens wat over hem maar we hadden geen contact meer. Tot verleden week. Ineens stond de adviseur in de hal en liep ik hem tegen het lijf. We raakten in gesprek en we toonden oprechte interesse naar elkaar. Hij vertelde mij dat weg gaan en uiteindelijk voor zichzelf beginnen het beste was wat hij had kunnen doen. Eigen baas, zelf de tijd in kunnen delen, opdrachten aannemen en kunnen weigeren. “Het past perfect bij je”, reageerde ik op zijn verhaal. Ik vertelde hem dat ik toe was aan een nieuwe uitdaging en mijzelf aan het oriënteren was op detachering, dezelfde stap die hij een jaar geleden had genomen. “Bel dit nummer, vraag naar deze naam en noem die van mij”, zei hij terwijl hij een naam en telefoonnummer op een briefje schreef. “En noem alsjeblieft mijn naam, want ik ben niet zo aardig over je geweest”, vervolgde hij.
’s Avond in de auto, onderweg naar huis, kwam er een glimlach op mijn gezicht terwijl ik aan het gesprek van die middag terugdacht. “Ik heb het blijkbaar toch niet zo verkeerd gedaan” dacht ik terwijl ik de snelweg op draaide.
Jup. Soms moet je keuzes maken en die vinden beide niet altijd ok. En dat hij nu zo met je praat en eerlijk zegt dat hij niet aardig is geweest over je zegt idd wel wat!
Door:Stommerik op1 april 2010
op22:25